Foto: Mariet Vaesen
NARGILAH VAN HUN
 
Gargamesj. Koning van Oeroek, slaapt nooit, doodt veel. Met z’n uit kladden vunzige modder gegiste speelkameraad Enkidoe gaat hij op zoek naar eeuwig ceder, verhakselt het schijtbruine monster Choembaba en de Hemelstier van Anoe.
Gargamesj is een eigenzinnige bewerking van het epos Gilgamesj. Het gedicht springt van heden naar verleden en omgekeerd, van Tsjakamakkistan naar Eigen Bodem. Schaamteloos steelt het uit de achteroostertuin, en zet er nieuwe dingen in de plaats.
Nargilah V.H. (º1976) is bodemkundig filosoof. Hij publiceerde gedichten, verhalen en essays in o.a. DWB, Deus ex Machina en Writer’s Block. Twee gedichten uit Gargamesj werden eerder opgenomen in de bloemlezing Op het Oog – 21 dichters voor de 21e Eeuw. Nargilah V.H. woont in Antwerpen.






Titel:
Jaar:
Prijs:
ISBN:
Gargamesj
2007
10,00
90 6230 092 ?
 
 











 



I
NTRODUCING ENKIDOE

Oeverlozer dan het onaangeroerde cliché op de rol
voorbij het geperforeerde canvas van de pellicule
het ding vrij van schijngestalten niet de bastaard van het licht
in The New Babel sprak Henry Dark:
‘to undo the fall, to reverse the fall of language, to recreate the
 language of Eden .’
en in het duister ‘he would forget everything he knew;
after forty days and forty nights, he would emerge a new man
speaking God’s language.’
Aroeroe was de God die dit las. ‘Hark! Hark!’
Waar het licht van de wereld wordt afgekapt
de marginaal die de zon niet bereikt
stak Aroeroe een botte stok in de strot van de aarde
pookte tot ze braakte
en uit kladden vunzige modder in de loop der jaren gistend
uit de baaierd van lawaai en schuim
schoot Enkidoe vel,14
de tweelingsgelijke van Gargamesj, het aan rotting onderworpen
ding van nature geweest.
Tot de tanden met varkensborstels
gewapend spieren polijstend aan de wind
de steppe als oefenkamp voor de levers en harten van z’n lijf
knieën van barnsteen ligamenten van staal een stem van muskus
en zijden polsen.
Hij trok zich op aan de grastabletten
schranste met de dieren mee
Gods ambacht, de gazellenteelt.  
Enkidoe was gemaakt.
Zintuiglijk met zijn gevulde maag
zijn alerte zwijnenverstand en zijn runen seinende hart.
Aroeroe verbrandde de mal.  

[14] Dat dit onmogelijk zou zijn wordt door Abu Bakr Muhammed Tufayl bestreden:
‘De mensen daar kennen dus geen buitensporige hitte en geen buitensporige koude
[…]. Ik maak er u op attent omdat het een van de dingen is die aantonen dat men
terecht oppert dat in die streek mensen ontstaan zonder dat daar een vader of moeder
aan te pas komt.’