OVER ‘GRONDSLAG’ VAN JOS STEEGSTRA
 
 
 
Door Jasper Mikkers
Jos Steegstra is geboren in 1940, in Groningen. Hij verhuisde naar Bergen in Noord-Holland, kwam in Oss in Noord-Brabant terecht en sinds enige tijd is Tholen in Zeeland zijn woonplaats. In vier provincies heeft hij inmiddels gewoond, werd langzaam van het noorden naar het zuiden geschoven, met de snelheid van een zwerfsteen in de late IJstijd. Zestig jaar deed hij over 250 kilometer.
   Maar behalve naar het zuiden ‘afzakken’ deed hij nog meer: hij schreef poëzie, naast al het andere natuurlijk waarmee een mens zich in zijn leven bezighoudt. In 1964 verscheen zijn debuut ‘Ongewapend’, een kleine, bescheiden dichtbundel, en in 1997 werd ‘Indruisen tegen mist’ uitgegeven, een mooi vormgegeven boek met gerijpte poëzie. Daartussen liggen 33 jaren, jaren waarin Steegstra met grote gedrevenheid en volharding aan een oeuvre werkte. Wie de gedichten leest die in de loop van de tijd tot stand kwamen, voelt dat het schrijven een noodzaak voor hem was, er viel niet aan te ontkomen. En hij schreef als een ambachtsman, als een timmerman in zijn werkplaats: schaven, schuren, beitelen, weggooien, opnieuw beginnen, af en toe iets voltooien. Om de gedichten van Steegstra hangt de geur van zweet en aarde en hout. Van wroeten in de grond, hangend uitrusten op de schopsteel en verder graven.
   Wat voor poëzie schreef Jos Steegstra? Hoe moeten we zijn gedichten lezen?
   Wanneer Hemingway een museum binnenstapte en voor een schilderij ging staan, stelde hij zich de vraag: ‘Waarom heeft hij, de schilder, dit schilderij gemaakt? Wat heeft hij proberen vast te leggen?’ Dat was volgens hem de snelste manier om in een schilderij door te dringen en de kern ervan te pakken te krijgen. Wie poëzie leest, voegt daar meestal nog een vraag aan toe: ‘Hoe heeft de dichter zijn gedicht gemaakt?’ Hoe ziet zijn taalgebruik eruit? Waarom wendt hij de taal op die manier aan?
   Op deze kordate vragen zullen we een antwoord proberen te vinden.
   In zijn eerste jaren als dichter schreef Steegstra conventioneel werk. Dat is een bekend verschijnsel in de kunst: veel kunstenaars, zeker als ze op jeugdige leeftijd hun eerste werk maken, zijn weinig origineel en sluiten bij de traditie aan. De jonge Mondriaan die traditionele landschapjes schilderde, is een voorbeeld. Maar ook Van Gogh en Picasso begonnen weinig origineel. Uit de eerste gedichten die Steegstra schreef, spreekt een oprecht verlangen het goede te doen, een oprechte ambitie ook om dichter te zijn, maar dat is onvoldoende om er in werkelijkheid ook een te worden. Zijn gedichten zijn nog naïef, de beelden die hij gebruikt, kloppen niet en zijn clichématig. Maar Steegstra ging verder. Het koesteren van een oprechte ambitie is mooi, maar beseffen dat dat maar één stap in een te doorlopen ontwikkeling is, is stap twee. Dat is het verschil tussen een dilettant en een kunstenaar: het inzien van de noodzaak steeds een stap verder te maken. Een kunstenaar stopt niet. Stopt nooit.
   Ook Steegstra werkte verder en ontwikkelde zich. In ‘Je bent wat korrelig vandaag’ dat in 1977 verscheen, begint hij het handwerk onder de knie te krijgen. De gedichten hebben een omlijnd onderwerp en het dichten om het dichten begint over te gaan in het hanteren van een zich bewust gemaakte thematiek. In genoemde bundel komt een gedicht voor dat een programma zal blijken te zijn. Het heet ‘De archeoloog’ en de eerste regels luiden: Laagsgewijs/ schilt hij de tijd af/ tot waar schrikachtige hagedissen/ uitsterven/ en mensen worden/ d.w.z. als wij/ en het eindigt met: d.w.z. als wij/ happend naar leven/ dat langzaam dicht stuift. Hier wordt het verband tussen een ver verleden en ons eigen heden al duidelijk gelegd. Dat verband zal het hoofdthema worden van Steegstra’s poëzie, hij zal er trouw aan blijven en het op allerlei manieren uitwerken. Ook een ander gedicht is onthullend voor zijn latere werk. Zo schrijft hij in het ditmaal niet opgenomen vers ‘Foto’: Mijn oom is lang genoeg dood/ om hem in ere te houden:/ zijn portret vergeelt met de tijd/ laat alle ruimte voor speculatie (...) Pas wie dood is en zich op een afstand van ons ophoudt, wordt voor de dichter Jos Steegstra interessant. Er moet ruimte zijn voor raadsels en geheimen, ruimte om die raadsels te veronderstellen. Levende wezens zijn te kenbaar, misschien zelfs te prozaïsch en banaal. De werkelijkheid van alledag is weerzinwekkend normaal en tastbaar. Je hoeft maar een vraag te stellen en je krijgt antwoord. Wat dood is, zwijgt. En daar begint het leven van de speculant-in-woorden.
   We gaan even terug naar de ontwikkeling die Steegstra’s poëzie laat zien. In de beginjaren van zijn dichterschap wijdde Steegstra gedichten aan persoonlijke gevoelens en persoonlijke drama’s. Hij
schreef over gebroken of brekende relaties, en ook de anekdote
kwam aan bod. Later veranderden toon en thematiek.
Steegstra ontwikkelde zich tot een sober en streng dichter. Zijn zicht op de onderwerpen waarover zijn poëzie moest gaan, werd helderder. De wereld voorbij de grenzen van het eigen territorium werd betreden, bekeken en onderzocht. De tijd werd een thema, een tijd die toestaat om erin op zoek te gaan als in een landschap, een tijd die zich nauwelijks aan grenzen houdt, zich uitstrekt over millennia.
   Niet alleen in thematiek verschillen het vroegere en latere werk van elkaar. Ook het taalgebruik wijzigde zich. De taal van de jonge Steegstra bestaat uit lange zinnen die gehoorzamen aan de grammatica en soms in hun eentje een volledig gedicht vormen. Latere gedichten zijn uit brokstukken, uit fragmenten opgebouwd, zie de bundel ‘Alleen het ruisen’ uit 1990. Het zijn brokstukken taal die hij gevonden heeft en die hij door samenhang aan te tonen of te suggereren, betekenis geven wil. Zijn werkwijze lijkt daarmee op de archeoloog die overblijfselen van een urn vindt, de scherven bij elkaar legt en zoekt naar naden die verraden of en hoe ze bij elkaar passen.
   Dat beeld van archeoloog is vaker gebruikt voor een nadere omschrijving van Steegstra als dichter. Recensent Jace van de Ven typeerde hem ooit als volgt: ‘Hij is een soort poëtisch archeoloog, graaft letterlijk onder het oppervlak van alles wat hij tegenkomt: een steen die uit het zand steekt, een dichtgeslagen boek, een verschrompelde vrucht. Hij zoekt naar de binnenkant, het verleden, het onzichtbare.’ (Brabants Dagblad, 05-12-1997).
   Steegstra bezoekt graag verlaten, ooit bewoonde plekken, en als hij iets van belang opmerkt, bukt hij zich en raapt het op. Wat er in zijn hoofd omgaat op het moment van vinden en kijken, is de kern van zijn poëzie. Wat gaat er dan in dat hoofd om als hij een restant van leven in zijn hand houdt? Wat ís zijn emotie? En waar komt die uit voort? Dat zijn telkens de vragen die bij het lezen van zijn poëzie oprijzen. Een recensent gebruikte bij een poging een antwoord te formuleren het woord ‘mystiek’.
   De dichter zelf zegt er niet teveel over. Hij raapt veel op, maar geeft weinig weg. Hij schrijft zuinig en verzwijgt veel. Hij tart de lezer een beetje, uit noodzaak, wetend dat wie alles zegt, geen
poëzie schrijft. De opgediepte scherven en restanten zwijgen ook. Ze laten iets zien, maar niet veel. De vinder moet het werk doen. Hij moet uitzoeken, vergelijken, duiden voorzover dat kan.
   Zoals gezegd: Steegstra laat weinig los, in letterlijke, maar vooral in figuurlijke zin. Ergens zegt hij: ‘Schelpen zijn interessant. Je hebt iets van een dier in je hand. Een dier dat er niet meer is. En als je de schelp aan je oor houdt, dan hoor je het ruisen van de zee.’ Dat werd hem als kind verteld. En hij luisterde en luisterde. Een enkele keer hoorde hij geruis en dacht dat dat het ruisen van de zee was. Later begreep hij, naar we mogen aannemen, dat dat het ruisen van zijn eigen bloed was, het ruisend vloeien van bloed door zijn eigen aderen. Dat is wat poëzie schrijven is. Ergens aan voelen of ruiken en zeggen dat het die vorm heeft en die geur. Maar het is onze eigen vorm, onze eigen geur. En de vraag is dan: waarom herkent Jos Steegstra zich in fossielen, scherven, restanten van leven en beschaving. Wat zoekt hij daar? Wat is hij er verloren? Wat vindt hij in een scherf van zichzelf terug?
   Een enkele keer laat Steegstra, in het dagelijks leven bruisend van energie en joviaal in taalgebruik, maar als dichter streng en zuinig, toch iets los. ‘Ik vind dat een spannende tegenstelling. Een enorme historische achtergrond, maar nauwelijks tastbare herinneringen daaraan.’ Ergens anders zegt hij: ‘Ik ben geen archeoloog, maar de archeologie is wezenlijk bestanddeel van mijn dichtkunst. Voor mij zijn de mensen en dingen die ergens geweest zijn op die plek vaak meer aanwezig dan als ze er in levende lijve nog zijn.’ Soms komt het voor dat een archeoloog, en ook lezers van werk als dat van Steegstra zijn archeologen, onverwacht een grote vondst doet. Geeft Steegstra in die laatste zin de kern weer van zijn poëzie? Daar lijkt het op. Ook sommige dichtregels wijzen in die richting. (...)wat is weggeworpen verraadt/ wie het droeg, lezen we in het gedicht ‘Grondverzet’.
   De dichter Eddie Besselsen typeerde Steegstra als volgt: ‘Steeds meer, al is het door de dichter misschien niet zo bedoeld, ontpopt hij zich als een orakelend priester, een Keltische druïde die zijn toehoorders in verhullende taal het onzegbare blootlegt.’ De al genoemde Jace van de Ven zegt: ‘Voor wie er gevoelig voor is, wordt dat een bijna mystieke ervaring.’ Steegstra zelf spreekt in andere termen over zijn werk. Hij heeft het niet over mystiek. ‘Het is voor mij een heel nuchter ambacht,’ antwoordde hij ooit op de vraag hoe hij zijn gedichten maakt. ‘Ik heb geen boodschap. Ik schrijf hoofdzakelijk voor mezelf en vind, samen met een aantal anderen, dat dat best gepubliceerd mag worden.’ En ook de kwestie hoe poëzie gelezen moet worden, behandelt hij verrassend simpel. ‘Een verkeerde uitleg geven aan een gedicht kan niet. Een dichter kan met zijn werk wel honderd verschillende dingen tegelijk bedoelen.’
   Wie magie of mystiek bespeurt in de poëzie die deze bloemlezing bevat, heeft dus gelijk. Wie de tekst letterlijk wil nemen en weinig mystiek ontdekt, heeft ook gelijk. De lezer mag zelf beslissen. De dichter geeft geen uitleg. Hij geeft geen interpretaties. Wie zijn gelijk bij de dichter wil halen, krijgt het meteen. Eigenlijk weet hij het ook niet. Zijn eigen mening is even veel waard als die van de lezer. ‘Kunst groeit uit het onderbewuste.’ ‘U kunt het vergelijken met het regisseren van dromen. Soms vertelt uw eigen onderbewustzijn via een droom wat het wérkelijk van de dingen vindt en hoe u wérkelijk in elkaar zit.’ ‘Ook als je hersenen het (gedicht, JM) niet volledig in kaart kunnen brengen, komt er uit je dikwijls geknotte bewustzijn een antwoord.’
   Steegstra lijkt in uitspraken als de laatste iets over zijn poëzie los te laten. Maar wat hij vertelt, zegt iets over de manier waarop poëzie kan ontstaan, en niets over inhoud en betekenis. De lezer moet het echt zelf uitzoeken.
   Een uitgave als deze roept de verleiding op het oeuvre van Jos Steegstra in een breder kader te plaatsen. Evenwel, het is twijfelachtig of een antwoord op vragen als ‘Toont het werk van Steegstra verwantschap met het werk van andere dichters?’ en ‘Bij welke groepering of beweging kan hij ingedeeld worden?’ betekenis toevoegt aan de poëzie van deze dichter of tot resultaat heeft dat zijn poëzie makkelijker te begrijpen is. Het is misschien mogelijk aan te tonen dat er in de verte verwantschap bestaat met het werk van H.C. ten Berge en Jacques Hamelink. Deze dichters hebben dezelfde interesse, werken met dezelfde middelen en ook qua vorm en techniek - het schrijven van reeksen - is er misschien verwantschap.
Mogelijk is er ook met Rutger Kopland een verbinding te leggen. Die probeert onder woorden te brengen wat hij bij het zien van een landschap of kledingstuk dat ooit een inmiddels volwassen dochter toebehoorde, voor emotie ondergaat en waarom. Het speelt zich in het onderbewuste af en op alle mogelijke manieren, maar vooral door middel van subtiele omtrekkende bewegingen en veel tasten en twijfelen, probeert hij die emotie te verkennen en in taal over te brengen. Dat doet Steegstra ook. Voorzichtig en zorgvuldig aftasten wat zich genoeg bloot geeft om vanuit het onderbewuste bevoeld en benoemd te worden.
   Tot aan de dag van vandaag zien we dat zich de gesignaleerde ontwikkelingen in Steegstra’s dichtwerk voortzetten. Zijn poëzie wordt alsmaar kaler en consistenter. Verbeten en hartstochtelijk zeeft en zuivert hij zijn thematiek en zijn gedichten bereiken bijna een helderheid en soberheid die we in de signalementen van politierapporten tegenkomen. De bundel ‘Indruisen tegen mist’, verschenen in 1997, is een hoogtepunt in Steegstra’s oeuvre. Het laat een uiterst behoedzaam taalgebruik zien en is evenwichtig wat betreft thematiek en bouw.
   Eddie Besselsen die enkele jaren geleden een interessante, vooralsnog onuitgegeven analyse maakte van het werk van Steegstra, geeft als centraal idee van Steegstra’s werk: ‘De werkelijkheid is wat in het verdwijnen overblijft.’ Steegstra is ‘een achterblijver’ die speurt naar resten/ van mensen en gezonken lading/ vermisten (...). Hij probeert ‘het leven thuis te brengen’, het leven dat is achtergebleven. Daarnaast mogen we Steegstra’s werk vooral ook zien als een zelfonderzoek, een vraag naar de eigen plaats in de wereld, een vraag die naarmate de tijd verstrijkt en de kaars van het leven verder opbrandt, nijpender en pijnlijker wordt. Licht kruipt weg: waar sta ik/ nog vast op de rand van deze/ regelmatige verplaatsing/ van steen en zand (...) (Uit Plein Zeven, KCB, Bergen 1994). En daartoe leidt uiteindelijk het lezen van deze poëzie, namelijk dat de lézer zich afvraagt waar hij staat, waar op de rand van het zijn en het verdwijnen.